Den Haag,
28
november
2019
|
20:20
Europe/Amsterdam

Bijdrage staatssecretaris Van Ark bij begrotingsbehandeling

Samenvatting

Hieronder vindt u het eerste deel van de inbreng van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tijdens het Tweede Kamerdebat over de begroting van SZW voor 2020. Het volledige verslag van het debat vindt u op de website van de Tweede Kamer.

Voorzitter, allereerst hartelijk dank voor de inbreng van de leden van uw Kamer. Een deel van de vragen heb ik schriftelijk beantwoord. Een deel van de vragen zal ik ook mondeling beantwoorden. En dat zal ik graag na mijn inleiding doen in een aantal ‘thematische blokjes’, die ik de titels mee heb gegeven: Meedoen, Schulden & Armoede en tot slot Kinderopvang.

Voorzitter, wij willen een bijdrage leveren aan een samenleving waarin álle mensen eerlijke kansen krijgen om mee te doen. En die kansen vervolgens ook grijpen. Voor mij was het ooit de reden om de politiek in te gaan. De vraag die nu voor ligt is: Waar staan we nu wat dat betreft? En een hele belangrijke vraag vandaag is ook: Hoe kunnen we elkaar hier vinden om meer mensen meer kansen te geven?

Want bij iedereen kan het leven tegenzitten. Iedereen kan zijn baan verliezen. Iedereen kan terechtkomen in schulden. Het kan iedereen overkomen. Ook u en mij. Daarvan ben ik overtuigd. En dan moet je kunnen rekenen op een overheid die je ondersteunt. Een overheid die er voor je is als je het nodig hebt. Een overheid die mensen niet anoniem langs de kant laat staan.

Dat is ook de inzet die ik heb bij de verbetering van een aantal wetten waaronder de Participatiewet en ook de Wajong. We hebben te maken met heel veel individuele mensen met elk hun eigen situatie. Het is cruciaal dat we dit goed voor hen regelen. En dat we mensen steunen op weg naar werk of een opleiding of een volgende stap in hun leven.

Begin volgend jaar kom ik met het wetsvoorstel Breed Offensief waar ik op tal van fronten acties onderneem om mensen met een arbeidsbeperking te helpen om aan het werk te komen en ook te blijven. Zeg ik ook in de richting van mevrouw Van Brenk, die er altijd een warm pleidooi voor houdt, en terecht. En we moeten er ook daar voor zorgen dat werken loont.

Een overheid die je ziet staan betekent ook dat we arbeidsmarktdiscriminatie aanpakken. Ook daar ligt een wetsvoorstel voor.

Maar de overheid kan het niet alleen. Alleen samen met sociale partners, maatschappelijke organisaties, gemeenten, UWV, werkgevers en niet te vergeten door in gesprek te gaan met mensen, die zelf met regelingen te maken hebben, lukt het om iedereen mee te laten doen.

In de afgelopen week heb ik gezien dat het maatschappelijk debat zich vooral concentreerde op de verplichting om weer aan het werk te gaan. Maar het gaat wat mij betreft vandaag en de komende tijd om veel meer dan dat. Het gaat erom dat iedereen de kans krijgt om mee te doen.

Ik kom zo nog uitgebreid te spreken over de Participatiewet, ook in de richting van de heer Jasper Van Dijk (SP), want hij heeft mij gevraagd te reflecteren op deze wet.

Maar voordat ik dat ga doen, wil ik hier benadrukken dat de kern van het jongste voorstel dat ik heb gedaan is om van gemeenten te vragen om álle mensen in de bijstand een aanbod te doen dat bij hen past en dat in hun belang is. Dat kan van alles zijn: hulp, vrijwilligerswerk, taalles, stage, sollicitatietraining en natuurlijk ook toeleiding naar werk. En ja, daar vraag ik ook iets van de gemeenten. Waar het mij om gaat is dat we mensen niet afschrijven, maar mensen betrekken en mensen helpen. En natuurlijk vraagt meedoen óók een actieve opstelling van mensen zelf. En het vraagt ook een actieve opstelling van mij en van het ministerie. Wij moeten bijvoorbeeld de dienstverlening aan werkgevers verbeteren.

Meedoen betekent verder dat mensen moeten kunnen rekenen op goede hulp van de overheid als ze bijvoorbeeld in problematische schulden belanden. Want die gaan vaak ook samen met andere problemen (op het gebied van werk, gezondheid, sociaal isolement) en leiden ertoe dat mensen langs de kant komen te staan of blijven staan.

En voorzitter, in een inclusieve samenleving is evenmin plaats voor ongezond en gevaarlijk werk, dat mensen berooft van hun gezondheid en toekomst. Dat ik ook de reden dat we strikte regels hebben op het terrein van arbeidstijden en arbeidsomstandigheden. En we zetten in op handhaving. Maar werknemers hebben ook een eigen verantwoordelijkheid voor gezond en veilig werken.

Die handhaving is ook van belang op het terrein van sociale zekerheid. Want misbruik van sociale voorzieningen, die we met zijn allen opbrengen, ondergraaft het maatschappelijke draagvlak voor de sociale zekerheid. En daarmee de inclusieve samenleving.

Voorzitter, tot slot van mijn inleiding zou ik willen opmerken dat het hogere doel, dat we volgens mij met z’n allen nastreven - een inclusieve samenleving - ambitieus is. Ik realiseer me dat heel goed. Maar er is al wel veel in de steigers gezet en wat mij betreft is dit het moment om uit te bouwen.

Ik zal nu overgaan tot het beantwoorden van de vragen.