Den Haag,
17
april
2018
|
12:22
Europe/Amsterdam

Naar een arbeidsmarkt waar iedereen mee kan doen

Meer dan de helft van de mensen met een arbeidsbeperking heeft geen werk. Dat tij moeten we keren want er is niets zo frustrerend als thuis zitten terwijl je mee wil doen.

Vorige maand was ik bij een tuindersbedrijf in het Westland. Ik kwam er blij verrast vandaan. Niet door de geur van lente die in de kassen hing. Het kwam door de werkgever.

Hij kent al zijn mensen en toch wist hij niet wie er in zijn bedrijf officieel ‘een beperking’ hebben. Daar kwam hij pas achter toen hij zag voor wie hij allemaal subsidie krijgt. Deze werkgever ziet gewoon trotse medewerkers, niet meer en niet minder. Was het maar overal zo.

Maar zoiets valt niet af te dwingen, zeker niet met een wet. Het is uiteindelijk de werkgever die het moet doen. Die mensen een kans geeft, ook als ze een beperking hebben en dan ziet hoe waardevol zij voor het bedrijf zijn.

Ik kan het niet afdwingen, maar ik kan het wel stimuleren. Door belemmeringen weg te nemen. Door mee te denken met wat er nodig is.

Want er zijn in Nederland veel mensen die willen werken, die kunnen werken, die buitengewoon gemotiveerd zijn om te werken maar niet zelfstandig het minimumloon per uur kunnen verdienen. Daarom noemen we ze arbeidsbeperkt.

Meer dan de helft van hen zit thuis, meestal in de bijstand. Denk je eens in. Meer dan de helft! En het is al vele jaren zo dat er meer mensen met een beperking aan de kant staan dan een plek hebben gevonden op de arbeidsmarkt. Dat moeten we keren. De economie is er rijp voor, er zijn vacatures en veel bedrijven willen een afspiegeling zijn van de samenleving.

Op dit moment heeft een werkgever te maken met meerdere regelingen als hij iemand aan neemt met een arbeidsbeperking. Als dat tenminste zo’n zware arbeidsbeperking is dat de werknemer niet het minimumloon per uur kan verdienen.

Heeft hij iemand met een Wajonguitkering in dienst, dan heeft hij andere formulieren en instanties nodig dan als het om iemand gaat die uit de bijstand komt. Dat werkt niet motiverend. Daarom wil ik één regeling. Zodat het voor een werkgever niet uit maakt wat de achtergrond is van degene die hij aanneemt.

Het voorstel voor weer een verandering roept veel emoties op bij mensen met een arbeidsbeperking en hun omgeving. Ik begrijp dat. Ik zie dat veel mensen de regeling op zichzelf betrekken voor wie deze niet geldt. Het gaat NIET over de vele mensen met een beperking die WEL minimumloon per uur kunnen verdienen.

De emoties gaan ook over reële nadelen die ik vanaf het begin ook zelf heb benoemd.

Zo bouwt iemand met de regeling die nu voorligt geen aanvullend pensioen op. Net zoals in de Wajong, waar de regeling op aangesloten is. En wie geen recht heeft op aanvullende bijstand, bijvoorbeeld omdat hij vermogen of een werkende partner heeft, krijgt in dit voorstel geen loonaanvulling.

Daar staat tegenover dat in mijn voorstel het altijd loont om meer uren te gaan werken, wat nu niet zo is. Dit voorstel bespaart geld. Dat geld, zo hebben we afgesproken, gaat naar mensen die niet vanzelf aan werk komen.

Ik heb het voorstel, op basis van het regeerakkoord, naar de Kamer gestuurd waar we over gaan spreken. Na het debat hier over maak ik een wetsvoorstel. Ik heb grote waardering voor de enorme betrokkenheid van mensen die hier over in gesprek zijn. Ik vind het een belangrijk voorstel, want ik zie te veel mensen die ongewild geen werk hebben.

Het gaat om werkgevers en om werknemers. Maar vooral om mensen die dolgraag werknemer willen worden maar voor wie het niet vanzelf gaat. Werk is salaris, maar ook onder de mensen zijn, een ritme hebben, collega’s, thuiskomen met een verhaal. Die kans verdient iedereen. Net zoals elke werkgever de ervaring verdient van de tuinder uit het Westland. Ik ga voor een arbeidsmarkt waar iedereen mee kan doen.

Tamara van Ark, staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid