Den Haag,
22
november
2018
|
16:23
Europe/Amsterdam

Van Ark: schoonmaakbranche bondgenoot bij inclusie arbeidsbeperkten

‘Veel mensen met een arbeidsbeperking staan ongewild langs de kant. Voor hen wil ik de handschoen oppakken om te zorgen dat er meer perspectief is. Daar zijn veel kansen nu het economisch goed gaat. Bij dat streven vind ik de schoonmaakbranche aan mijn zijde.’ Dat zei staatssecretaris Tamara van Ark van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vanmiddag tijdens het congres ‘Heldere blik op de schoonmaakbranche, de kansen van maatschappelijke veranderingen’ van brancheorganisatie OSB (schoonmaak- en glazenwassersbedrijven). In haar toespraak ging de staatssecretaris uitgebreid in op het ‘breed offensief’ om meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te krijgen. Goede voorbeelden van inclusie zoals in de schoonmaakbranche zijn daarbij ontzettend belangrijk, aldus Van Ark, die de branche een ‘bondgenoot’ noemde en een ‘belangrijke gesprekspartner’ bij de verdere uitwerking van de maatregelen van het breed offensief.

 

De toespraak van staatssecretaris Van Ark was gebaseerd op onderstaande tekst

Dames en Heren.

Ontzettend fijn om u hier allemaal te zien.

We hebben het vandaag over een belangrijk thema.

Onze samenleving verandert snel. Denk aan technologische ontwikkeling en groeiende diversiteit. En natuurlijk ook aan de arbeidsmarkt.

Dat stelt ons voor uitdagingen, maar biedt ook kansen. Kansen die je kunt laten liggen. Maar natuurlijk ook met beide handen kunt grijpen. Dat laatste laat u in de schoonmaakbranche goed zien. Ik kom daar straks op terug.

Maar laat ik eerst verder inzoomen op die arbeidsmarkt.

De crisis hebben we achter ons gelaten en de economie draait goed. Dat vertaalt zich nu ook in forse banengroei. Werkgevers in steeds meer branches worstelen met oplopende personeelstekorten.

Tegelijk zien we dat sommige groepen nog steeds moeilijk aan de bak komen. Oudere werklozen bijvoorbeeld en statushouders.

Dit geldt zeker ook voor mensen met een arbeidsbeperking. Van hen staat nog steeds ongeveer de helft langs de kant.

Dat is niet alleen maatschappelijk onacceptabel. We kunnen het ons simpelweg ook niet veroorloven. Iedereen is nodig op de arbeidsmarkt. We snijden ons zelf echt in de vingers als we talent onbenut laten. Als we geen gebruik maken van motivatie, drive en loyaliteit die mensen laten zien als ze eenmaal wél de kans krijgen die ze verdienen.

Die kans moeten we ze als samenleving geven.

Dat besef leeft gelukkig overal. Sociale partners, maatschappelijke en brancheorganisaties, politieke partijen onderschrijven over de volle breedte dat mensen met een arbeidsbeperking een eerlijke kans verdienen.

Het doel is kortom onomstreden.

Verschillen van mening gaan over de manier waarop we dat het beste realiseren.

Maar verschillen zijn er om samen te overbruggen. Ik ben niet van de school van haarkloverij en op je strepen blijven staan. Loopgraven en schuttersputjes leiden tot stilstand, of misschien zelfs wel tot achteruitgang. Door polarisatie zien we ons gezamenlijke doel achter de horizon verdwijnen.

Het gevolg laat zich makkelijk raden: dromen draaien dan uit op desillusies.

We moeten over politieke grenzen en belangentegenstellingen heen springen en oplossingen vinden die verschil kunnen maken. Verschil in het leven van mensen die mee willen doen, die het beste uit zichzelf willen halen, die een waardevolle bijdrage willen en kúnnen leveren aan de samenleving.

Daarom heb ik begin september een breed offensief aangekondigd om mensen met een arbeidsbeperking die langs de kant staan aan het werk te helpen. Eergisteren heb ik de uitwerking daarvan naar de Tweede Kamer gestuurd.

Uitgangspunt is dat het voor mensen met een beperking echt moet lonen om te gaan werken of meer te gaan werken, en dat het voor werkgevers eenvoudiger en aantrekkelijker wordt hen in dienst te nemen en houden.

Het afgelopen jaar heb ik uitgebreid met werkgevers, mensen met een arbeidsbeperking, belangenbehartigers en begeleiders gekeken naar wat knelt en wat mogelijke oplossingen zijn.

Die tijd voor al dat overleg was nodig. Een offensief zet je niet alleen in, het vergt afstemming en draagvlak. Een ‘solo-offensief’ is een garantie voor een eenzame terugtocht. Daarbij is niemand gebaat: niet degene die het offensief inzet, niet degenen die niet volgen, en niet degenen om wie het allemaal te doen is: de mensen met een arbeidsbeperking.

Een offensief vergt ook middelen. Het kabinet trekt er 70 miljoen euro extra voor uit.

Dames en Heren.

Hoewel een offensief kortom alleen maar kans van slagen heeft als het breed wordt ingezet, wil dat niet zeggen dat het niet goed is om soms eens voor de troepen uit te lopen…

Individuele werkgevers of branches kunnen vooroplopen en laten zien wat in de praktijk werkt. Sprekende voorbeelden kunnen ogen openen en bij wijze van spreken navolging ‘afdwingen’.

Wat dit betreft speelt de schoonmaakbranche in de voorhoede, met veel mensen die werken in - om het in termen van de sector zelf te verwoorden – de ‘basis van de arbeidsmarkt’. Veel werk is relatief laagdrempelig en dat biedt veel kansen voor de inzet van mensen met een arbeidsbeperking.

Maar kansen moet je wél weten te benutten. Voor daadwerkelijke inclusie is doorgaans hele goede begeleiding nodig. Wat dat betreft ben ik onder de indruk geraakt van wat ik heb gezien bij bijvoorbeeld Asito.

Maar ook andere bedrijven in de branche hebben echt wat ik noem een Fingerspitzengefühl voor inclusie.

Laat ik nog een ander voorbeeld noemen, zonder daarmee andere bedrijven en initiatieven tekort te willen doen, want – gelukkig – telt de schoonmaaksector veel best practices.

Dit gezegd hebbende, noem ik hier graag de samenwerking tussen praktijkschool Pantharijn in Wageningen en schoonmaakbedrijf Progenta als inspirerend voorbeeld. Beide spelers willen al ‘aan de voorkant’ leerlingen van het praktijkonderwijs motiveren en inspireren om te kiezen voor de schoonmaakbranche.

Nu kloppen leerlingen vaak achteraf aan de deur bij schoonmaakbedrijven nadat ze eerst elders niet aan de bak kwamen. Dat voelt voor zulke jongeren alsof ze de sluitpost zijn op de arbeidsmarkt.

Dat snap ik heel goed. En het is ontzettend onterecht. Schoonmaak is een vak. En daarbij hoort vakmanschap waarop je trots mag zijn.

Die trots zie je terug op de werkvloer. Dat kom ik tijdens werkbezoeken vaak tegen. Dat is zo mooi om te zien. En - ook al is het dus beter om trots in te stromen: Ook geknakte trots kan weer opbloeien, als je maar de kans krijgt!

Dames en Heren.

In een recent interview met Service Management gaf ik aan schoonmaakondernemers hier, vandaag op dit congres een ‘welgemeend compliment’ te zullen geven.

Die toezegging los ik hierbij nu van harte in.

En aan dat welgemeende compliment voeg ik graag toe: ontzettend bedankt voor uw maatschappelijke verantwoordelijkheid, die ik echt een voorbeeld vind voor veel andere branches.

Laat ik afsluiten met de constatering dat de kop boven het interview wat mij betreft geheel de lading dekt. Van Ark spreekt op OSB-congres: ‘De schoonmaak is een belangrijke bondgenoot’, luidt die.

Zo zie ik dat precies!

Ik wens u allen een heel interessante en vooral ook heel plezierige middag.

Hartelijke dank voor uw aandacht.